Aan huis

Ze wijst op een leeg doosje naast de prullenmand.
„Dat misschien?”
Het is groot genoeg, dat wel.
„Maar er staat bol.com op”, zeg ik.
„En dat?”
Het wordt de krantenmand, ooit gekregen als kerstpakket, destijds iets feestelijker gevuld dan nu gaat gebeuren.

„Prrrrt”, zei het poesje twaalf jaar geleden in asiel Het Kattenpaleis tegen ons, toen mijn jongste dochter en ik haar kant op keken. Deze zesjarige werd ons aangewezen als de enige poes die gewend was aan honden.

Onze hond vond poesjes erg lief, maar dat snappen niet alle katten, vandaar.

‘Prrrrt’ klonk zacht, ging iets omhoog en eindigde in een vraagteken. Tegelijkertijd ging ze in een uitdagende aaihouding liggen. Dat weet ik nog zo goed omdat ze dat twaalf jaar lang is blijven doen, elke keer als je de kamer binnen kwam, waar ze ‘Tevreden-Opgerolde-Poes’ lag te wezen.

Tot vandaag.

Ze at en dronk al dagen niet, maar dat zijn we wel gewend: gezond was dit kleine maandagochtendmodelletje nooit. Vóór ze Het Kattenpaleis mocht verlaten om in ons nederige stulpje haar intrek te nemen, moest ze eerst een kuurtje daar afmaken: bronchitis. Niet lang daarna brachten we een eerste bezoekje aan onze eigen dierenarts, want bronchitis was dus zeg maar haar ding.

Het bezoek bleef alle betrokkenen lang bij: hoe een klein katje kwaad kan worden.

Ze maakte haar naam – die ik haar niet gaf en die ik eigenlijk had willen veranderen – helemaal waar. Hierna liet ik een andere naam en ook de bezoeken aan de dierenarts maar voor wat ze waren: ze heette Tijger.

Bij tijd en wijlen hoestend en piepend, leefde ze opgewekt verder. Maar toen ik haar een paar jaar geleden toch een beetje netjes wou achterlaten voor de vakantieverzorgers, ging ik nog maar eens naar de dierenarts.

Ze was minder fel, maar op de terugweg kreeg ze van de stress een astma-aanval en toen heb ik haar beloofd dat ze nooit meer hoefde.

Maar ‘prrrrt’ was er altijd en vandaag niet.

Levensgezel L. had de afgelopen nacht vergeefs geprobeerd haar te troosten toen ze liep te klagen. Op ons bed slapen hielp ook al niet meer.

En zo komt het dat ik met een dikke keel en met mijn katje in een blauwe handdoek in mijn armen zit te bekomen van haar euthanasie – haar nieren waren op – en dat de Dierenarts-Aan-Huis alles regelt.

We leggen haar voorzichtig in het krantenmandje.

En ik bedenk dat ‘aan huis’ ook voor mij het beste was.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

Succes

Nederlands beroemdste straatmuzikant was nog lang niet van plan om dood te gaan. Chuck Deely had net een nieuwe gitaar gekocht.

Den Haag zou hem er nooit op zien spelen. De 62-jarige Hagenaar met een Amerikaans paspoort werd geveld door de lelijke griep die momenteel in Europa huishoudt. Lang probeerde hij dokters uit de buurt te houden, maar op 9 januari vond een huisgenoot het te gortig worden. Hij belde een ambulance. Op weg naar het ziekenhuis kreeg Chuck een hartaanval en raakte hij in coma. Uit dat coma is hij niet meer ontwaakt.

Chuck was een geval apart. Hij had geen verblijfsvergunning, maar onze overheid liet hem met rust. Dat is wel eens anders. Haagse politieagenten dachten dat hij dakloos was, maar hij woonde al jaren in bij de huurder van een sociale woning. De gemeente wist dat precies, want Chuck kreeg op dat adres een vergunning voor straatartiesten toegestuurd waar hij nooit om had gevraagd. Hij mocht gewoon doorspelen, terwijl musicerende Roemenen werden verjaagd. ‘Red held Chuck Deely van de bedelroemenen!’, roeptoeterde GeenStijl op zijn website, terwijl er niets aan de hand was.

In 2008 had een groentje bij de Haagse politie nog wel een bekeuring uitgeschreven. Dat is die agent niet goed bevallen. Er stak een storm van verontwaardiging op en de bekeuring werd geseponeerd. Devies van de gemeente: kom niet aan onze Chuck. Bekend maakt bemind.

Iedereen over wie ooit iets in de pers is verschenen, weet dat zo’n stuk kan wemelen van de fouten. Chuck zou niet hebben kunnen spelen tijdens de kerst, want hij lag in het ziekenhuis. Fout, hij lag thuis in bed. Hij zou op straat onwel zijn geworden. Fout, dat was thuis. In de ene krant was hij 66, in de andere 65, in weer een andere 62 jaar oud. Die laatste leeftijd klopt. Aangedragen correcties werden grotendeels genegeerd.

Muziek was Chucks lust en leven. Hij had een enorm repertoire, zong graag  liedjes van Neil Young en Bob Dylan, die luisteraars als ze hun ogen sloten nauwelijks van het origineel konden onderscheiden. Zo groot waren Chucks roem en populariteit dat het Residentie Orkest met hem optrad. In 2009 kreeg hij de Haagsche Popprijs.

Of hij ervan droomde een beroemd muzikant te worden? „Misschien ooit vroeger, maar hij was gelukkig met het leven dat hij had”, vertelt zijn huisgenoot A., die vol bewondering spreekt over Chucks talent om dingen voor elkaar te krijgen. „Als hij een nieuwe PC nodig had, briefde hij dat gewoon rond in de stad. Vroeg of laat stond er dan opeens een nieuwe computer die iemand hem cadeau had gedaan. Zo ging het met alles. Hij hoefde maar een kik te geven of hij had het.”

Elke dag speelde hij op straat in het centrum van Den Haag, zeven dagen in de week, ’s ochtends en ’s middags. „Ik moet ervan leven”, vertelde Chuck tegen een journalist, „dus ik heb geen keus. En ik haal er toch 40 tot 50 euro per dag mee binnen.”„Vermenigvuldig dat maar met vier”, zegt zijn huisgenoot. „En hij spaarde niks, hij had een gat in zijn hand.” Waar gaf hij zijn geld aan uit dan? „Restaurants bijvoorbeeld”, zegt de huisgenoot.

De griep rond kerst was in alle opzichten een ramp. Het is net de periode waarvan je het als straatmuzikant moet hebben, maar Chuck lag in bed. Een bevriende Hagenaar houdt een inzameling en haalt daarmee 4.750 euro op. En wat doet Chuck ermee? „Hij kocht die nieuwe gitaar en stapte op de fiets met de rest van het geld in zijn broekzak”, vertelt de huisgenoot. „Althans, dat dacht hij, maar hij had twee broeken over elkaar aan en had de biljetten daartussen gestopt. Onderweg naar huis is hij alles verloren. Een heel spoor liet hij na, als Klein Duimpje.”

Was de straatmuzikant een makkelijke prooi voor de griep? „Hij had volgens mij een ijzersterk gestel”, zegt de huisgenoot, „als je ervan uitgaat dat hij één tot anderhalve kilo suiker per dag at en verder alleen vlees. Hij was een echte carnivoor.”

Gebruikte hij ook middelen? „Je kon er alles ingooien”, zegt de huisgenoot.

Wanneer is een leven gelukt of mislukt? Moet je Michael Jackson feliciteren met zijn Neverland, zijn Beatlescatalogus, zijn talloze hits, maar ook zijn door chirurgen stukgesneden gezicht, met zijn zuurstoftank om maar vooral oud te worden, terwijl hij op zijn vijftigste overleed aan een overdosis medicijnen? Noem je Elvis Presley, die maar 42 werd, George Michael, die 53 werd, en talloze andere artiesten die zichzelf chemisch naar de andere wereld hielpen geslaagd en Chuck Deely niet?

Chuck is 62 geworden, heeft het leven geleid dat hij wilde, successen behaald waar hij naar streefde, en ik verklaar zijn leven tot geslaagd.

________________________________

Reageren kan hier.

Flink

Persoonlijk leed valt niet onderling te vergelijken, maar wel hoe mensen ermee omgaan.

Het indrukwekkende van Liesbeth List – lees vooral dit interview in Volkskrant Magazine – is dat ze haar levensgeschiedenis, getekend door oorlog en mishandeling, erkent als bizar en wreed, maar dat ze de regie over haar leven op een positieve manier in de hand heeft genomen en die nooit meer heeft losgelaten: ‘Met negatieve mensen bemoei ik me niet.’

Dat wordt hem voor mij voor 2017, bij deze. Met uiteraard de toevoeging dat ik er streng op toe zal zien niet zélf een negatief mens te zijn.

Je ziet wel eens anders.
Er zijn mensen met een rotjeugd die niet achterom kijken, niet willen wijzen naar schuldige ouders en niks te maken willen hebben met therapie.
Best knap, best flink.

Toch zijn dit vaak mensen die in mijn ogen wat minder makkelijk in de omgang zijn.
De uitgespaarde rekening voor gesprekstherapie wordt alsnog gepresenteerd, maar dan aan de omgeving.
Het boze binnenleven wordt aan de buitenkant gepolitiseerd. Elk gesprek is vermoeiend, koetjes en kalfjes bestaan niet.

Geef mij Liesbeth List maar.
Want met aardige mensen bemoeit ze zich uitdrukkelijk wél, ook al zijn ze gigantisch aan de fles. De hartstochtelijk levende, uiterst kwetsbare Ramses Shaffy, haar vriend voor het leven, betaalde de prijs voor zijn verslavende medicijn tegen levenspijn: hij ontwikkelde Korsakov. Ze greep zorgzaam en liefdevol in, ook al zong hij tot op het laatst overtuigend mooi Laat me .

Shaffy en List laten zien hoe aardig mensen kunnen zijn voor elkaar, ook al heb je het als kind niet echt getroffen.

Sommigen onder hen leven niet per definitie gezond, maar ze durven wel hun pijn en kwetsbaarheid te laten zien.

Eigenlijk vind ik dat óók flink.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

Struikelen

Het is een rustige zondagochtend. Ik laat onze Bobby uit en als ik de hoek van een zijstraat nader, zie ik Julius, met zijn baasje aan de lijn.

Baasje combineert uitlaten met joggen, maar dat heeft hij niet eerst aan Julius uitgelegd.

Die trekt zijn eigen pad: de lijn wikkelt zich rond een antiparkeerpaaltje en baasje jogt verder en ik ben heel benieuwd hoe dit gaat aflopen.

„Oeoeoeoe… pssss”, zegt het baasje, maar hij houdt zich na enkele bloedstollend spannende struikelpassen toch lachend overeind.

We praten even, want dat doen baasjes terwijl hun hondjes geduldig wachten.

„Jij hebt tenminste een échte hond”, zegt hij over ons middelgrote cockertje, toch niet echt een stoere mannenhond.

Maar als ik naar zijn kleine witte caesarhondje kijk, snap ik wel wat hij bedoelt. „Het is de keus van de kinderen, maar anders…”

We keuvelen nog even door en op het laatst vraag ik terloops „Maar hoe gaat het verder, buurman?”, want hij is net gescheiden, las ik in de krant.

„Ja hoor, gaat wel goed”, zegt hij en uit zijn lichaamstaal maak ik op dat hij de belangstelling wel waardeert, maar er verder niet over wil praten.

We zijn inmiddels verhuisd.

Maar nu is hij in zijn onbesuisdheid weer gestruikeld, las ik in de krant.

Doordat de lijn van onze electorale democratie zich om een verkiezingspaaltje wikkelde, kwam hij abrupt tot stilstand.

Een drama – zoals dat in de media natuurlijk weer genoemd wordt – vind ik het niet.

Hij komt wel weer op zijn pootjes terecht, bijvoorbeeld in de sector alternatieve energie en duurzaamheid.

Maar ‘alles geven’, zoals hij bij zijn afscheid zei dat hij gedaan had, zou ik niet meer doen.

Is niet duurzaam en er zijn vast wel alternatieven.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

 

 

 

 

Luisterangst

maaike_rondEen paar jaar geleden kwam één van mijn bekenden tijdens de borrel met een lullige opmerking over Marokkanen. Ik voelde mij erg ongemakkelijk.

‘Oh! Discriminatie! Gevaarlijk! De kop indrukken! Nu!’

Gevalletje spreekdrang van mijn kant.

Maar ik wist eigenlijk niet wat ik moest zeggen, tegen een bekende die recht tegenover me zat en eigenlijk best wel een aardige vent was. Ik mompelde wat van ‘nou…’

Daarna kwam ook nog zijn aardige vrouw – die het probeerde glad te strijken – met ‘joh, het zijn toch óók mensen’.

Voor mijn gemoedsrust legde ik haar woorden maar uit als ‘joh, niet generaliseren, ze zijn niet allemaal zo.’ En daar lieten we het dan maar bij.

Vanachter je computer verontwaardigd over onbekende anderen oordelen – ‘discriminatie!’, ‘seksisme!’, ‘vooroordelen!’, ‘racisme!’ en het momenteel ook erg populaire ‘dom!’ – is niet zo ingewikkeld.

Maar in het echt met elkaar samenleven en een gesprek voeren met bekenden die een jou onwelgevallige mening erop na lijken te houden vind ik in de praktijk wel lastig.

Nou ben ik van het type dat ook nog eens graag vriendjes blijft met iedereen. Ik voel me prima bij duidelijkheid, maar niet bij polarisatie.

Dat heeft iets slaps (‘pleaser’), een voordeel is wel dat je geduldig naar overeenkomsten met anderen blijft zoeken.

En dan vind ik bijvoorbeeld: angst.

‘De rechtse boze medemens is eigenlijk bang’, hoor je wel eens van links.

En daar een beetje meewarig achteraan: ‘bang dat zijn veilige overzichtelijke wereldje instort’.

Maar kijk nou eens naar de linkse Gutmenschen – waar ik mezelf toe reken. Die zijn toch óók bang dat hun veilige overzichtelijke wereldje instort? Dat het ze uit de klauwen loopt, dat bijvoorbeeld racisme de boventoon gaat voeren?

Ikzelf ben het allerbangst dat we elkaar kwijtraken en dat een volksmenner met een grote bek en slechte plannen er met de macht vandoor gaat.

Van polarisatie kun je iedereen de schuld geven, maar je  laten polariseren doe je toch echt zelf. Dus ik stel voor om dat niet meer te laten gebeuren. Wij burgers gaan maar weer eens naar mekaar luisteren, on-line en off-line.

En dan zoveel mogelijk dat laatste, in het echt, hè: in onze huiskamers, buurthuizen en op georganiseerde burgerfora.

‘Vertel.’ En dan echt luisteren en oprechte vragen stellen.

Voor de duidelijkheid: echt luisteren is niet hetzelfde als op je beurt wachten en dan retorische vragen stellen als: ‘Zie jij nou écht niet dat je een niet-empathische racist bent?’ en: ‘Zie jij nou écht niet dat je een politiek correcte wegkijker bent?’

Linkse en rechtse stokpaardjes staan meestal te trappelen van ongeduld om de ander te vertellen hoe fout diens standpunten zijn.

Maar onlangs heb ik de ontdekking gedaan dat stilte in een gesprek niet zo eng is. Ik ben niet meer zo bang dat de ander dan zou kunnen denken dat je hem door jouw zwijgen gelijk geeft.

Wie zwijgt, stemt toe? Dacht het niet.

Wie zwijgt, die luistert. Als het goed is.

Wie zwijgt, denkt na. Als het goed is.

Ik heb goede hoop dat wie zijn verhaal kan doen en wie zich gehoord weet, óók meer bereid is tot luisteren en nadenken als de ander zijn verhaal doet.

En dan blijken we uiteindelijk misschien wel minder uit elkaar gedreven te zijn dan we dachten.

Een mooie handreiking om weer met elkaar in gesprek te komen vond ik deze open brief van hoofdredacteur Rob Wijnberg van De Correspondent. Lees vooral ook deze antwoorden van PVV-stemmers en anderen.

Wij kunnen het maar beter weer eens gewoon gaan proberen met elkaar.

Zonder luisterangst.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

Rutte

maaike_rondWat er met mij, overtuigd sociaal-democraat, aan de hand is weet ik ook niet. Maar ik ben eigenlijk wel blij met de opgewekte Rutte.

Of zijn opgewektheid te maken heeft met liberalisme, daar wil ik vanaf wezen, maar ik durf wel te constateren dat de ‘s’ van somber vaak samensist met de ‘s’ van sociaal-democraat. Ik spreek uit ervaring.

Misschien gaat het om het vermogen om op tijd even van stemming te wisselen.

Zwaarmoedigheid heeft de neiging er altijd te zijn en wordt hoogstens afgewisseld door een periode van wat mindere zwaarte.

Terwijl, zoals je bij Rutte kunt zien, een structurele opgewektheid iemand er niet van weerhoudt om af en toe eens even flink kwaad te worden. Bijvoorbeeld, zo liet hij zien in Zomergasten, op brutale snotneuzen van oorspronkelijk Turkse komaf die ‘pleur op’ roepen tegen journalisten en hen het werk onmogelijk maken.

En dan in je kwaadheid zeggen ‘pleur zelf op!’

En vervolgens, als de boosheid zakt, weer opgewekt komen met een uitstekende rationele motivering.

„Jongens, luister: in Nederland, waar jullie wonen, hebben wij een rechtsstaat. Die garandeert de vrijheid van demonstreren – zelfs als dat voor een dictator is. Een vrijheid waar jullie nou gebruik van maken, ja? Maar er is hier ook persvrijheid, die jullie nu op onbeschofte wijze onmogelijk maken. Als je dat allemaal niet waardeert, krijg je in Nederland een probleem.”

En in Turkije niet dus. Zeg ik er voor de duidelijkheid achteraan, want ik wijs mensen graag de weg.

Rest mij de vraag: waarom blijven mensen toch zo op zoek naar de diepere lagen van een opgewekt mens als Rutte? Krijg je te weinig te zien, of kijk je niet goed?

Ik zie hier namelijk een premier die – weliswaar met een lach op zijn gezicht maar wél serieus – onze rechtsstaat verdedigt.

Diepere lagen hoef ik voorlopig even niet, hoor.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

 

Knarrenseks

rob rondSeks tussen bejaarden is even nutteloos als tepels bij mannen. En of je nu in God of de evolutie gelooft, de grap wordt er niet minder om.

Eerst God. Die schiep een man en een vrouw. Met die vrouw begon de ellende. Eva liet zich door een slang, die in feite de duivel was, verleiden tot het eten van een verboden vrucht. Onze-Lieve-Heer had in de Hof van Eden speciaal een boom neergezet waarvan mensen niet mochten snoepen – een lokboom.

Aangezien gedoogbeleid in het paradijs niet in de mode was, werden Adam en Eva heengezonden en verloren zij het eeuwige leven. Er móésten toen wel kindertjes komen, wilde het met de mensheid nog wat worden. Hoe je kinderen krijgt, wist het paar niet. Er was toen nog geen seksuele voorlichting. Wel kwamen ze er spelenderwijs achter dat het lekker voelde als ze met bepaalde lichaamsdelen in de weer gingen.

Dat was een list van God geweest, want dat lekkere gevoel ging gepaard met de overdracht van sappen, waar dan weer kinderen van kwamen. Zonder dat lekkere gevoel waren Adam en Eva natuurlijk niet met elkaars riolering aan de slag gegaan. Dan waren ze niet alleen de eerste, maar ook de laatste mensen geweest.

Dat vond Hij natuurlijk zonde van al Zijn moeite. Een week werk naar de filistijnen? Dat nooit! Tijd verspillen doen mensen maar. Later, in het Catshuis.

De evolutie pakte het bijna net zo aan als God. Om allerlei organismen tot voortplanting te bewegen was een truc nodig. Primitieve wezens snappen niet dat de kost voor de baat uit gaat. Dat je vandaag moet zaaien om morgen te oogsten. Dus maakte de natuur het zaaien tot een verdomd plezante bezigheid. Dat daar dan later kinderen van komen, snappen niet veel dieren. En als ze het wel snappen, helpt dat geen zier. Anders waren er van onze soort nu geen zeven miljard geweest.

De natuur heeft seks verzonnen om ons luilakken en domoren zover te krijgen dat we ons voortplanten. In dat licht is het een raadsel dat vrouwen er na de overgang nog iets van moeten hebben. Dat dat toch zo is, weten we van Patricia Paay. De belegen diva bazuinde naar iedereen die het niet wilde weten dat ze haar scheiding van Adam Curry verwerkte door met een 25-jarige knul de koffer in te duiken. Zou de natuur de vrouw na de overgang seksueel inzetbaar houden in een poging te voorkomen dat haar man op de loop gaat?

Bij ons mensen is die truc met dat genot nogal uit de hand gelopen. We verzinnen van alles om seks zonder voortplanting te hebben. Er zijn daarvoor zelfs apparaten op batterijen uitgevonden. En Playboy is ook al niet bedacht om de mensheid op peil te houden. Meer dan de helft van de vijftigplussers doet niet meer aan seks. Dat blijkt uit een enquête van omroep Max. Wie wel aan knarrenseks doet, moet nog steeds oppassen voor soa’s. Op zichzelf is bejaard zijn geen hinderpaal. Bij mechanische storingen biedt een blauwe pil soelaas.

Eén mijner vrienden op leeftijd zegt over seks: „Ze mogen gerust wat lekkerders uitvinden, maar ik blijf het er wel bij doen.”

________________________________

Reageren kan hier.

Controle

maaike_rond„Dit is een overstap, we zijn toch al gecontroleerd op Schiphol?”

Ik zeg het niet, maar misschien leest ze de onaangename verrassing van mijn gezicht af. En vertaalt die als ‘profiel verwarde vrouw’. En die zijn gevaarlijk.

Hoe dan ook: als ik op London Gatwick zonder broekriem, horloge, sleutelbos, jasje én zonder afgaande bellen en toeters uit het poortje ben gestapt en achter mijn lief L. aan wil lopen, word ik tegengehouden. En hij mag door.

„Oh no, madam, take your shoes off!”

Dat doe ik braaf, me afvragend of ik toch iets gemist heb van die vier miljoen instructies die een simpele vakantieganger ‘voor zijn eigen veiligheid’ krijgt als hij naar zijn bestemming gaat vliegen.

Elke schoenwinkel heeft op zijn minst een krukje, maar die service ontbreekt hier.

Dus wat doet deze 65-jarige: evenwicht zoeken, bukken, evenwicht bewaren, veters los, evenwicht bewaren, uit mijn schoeisel stappen, evenwicht bewaren.

En daar staan we dan op de vloer: ik op sokjes en mijn schoentjes met open mond van verbazing.

„No, give them to me!” zegt ze. Zij, ja.

Heel tegemoetkomend worden mannen door mannen en vrouwen door vrouwen afgeblaft en daarna gevisiteerd. Met homoseksualiteit wordt geen rekening gehouden en ach, laat ook maar: vernederend is het toch wel.

Ik buk maar weer en geef mijn schoenen aan en hoe ik inmiddels denk over deze mevrouw bespaar ik u, want we houden het netjes.

Mijn schoenen wordt verder geen blik waardig gekeurd en tijdens haar betastingen – nee tut, daar ben je al twee keer geweest en bij mijn borsten ook – dacht ik voor de afleiding maar aan etnisch profileren.

Lief L. ziet er namelijk gewoon uit als ‘de witte man’: lang, blauwe ogen en wit haar. Maar dat zal wel blond zijn geweest, denken ze dan, dus doorlopen maar.

En ik juist niet allemaal.

Dus zou ik wel eens een terroriste kunnen zijn, logisch toch?

„Waar bleef je nou?”, vraagt de witte man, riskant, maar ik hou me in, want hij kan het ook allemaal niet helpen.

„Alleen omdat ik donker ben, wedden?” Ik ben kwaad, mede namens alle donkere mensen die er altijd weer overal uitgepikt worden ‘voor uw en onze veiligheid’.

Maar later in de vakantie, zie ik mijzelf in de spiegeling van een ruit: daar loopt een ouwe hippie.

Loshangend halflang haar, beetje grijzend, in denim gekleed  – het uniform van de jaren zeventig – bril met donkere glazen.

Kan niet anders: gebruiker.

En dan een leuk centje bijverdienen met hasjsmokkel, dachten ze daar op Gatwick zeker.

De witte man heeft trouwens een best wel versleten broek aan. Voor hem kopen we op Tenerife een nieuwe. Denim. Maar hém staat dat gedistingeerd.

Terug vliegen we via Spanje en ik ga nooit meer naar Engeland.

______________________________

Reageren kan hieronder of op Facebook.

 

 

 

 

 

Sinterklaasverwijt

rob rondKijkersvraag in ‘De slimste mens’ aan Maarten van Rossem, bij monde van Philip Freriks: „Dirk uit Apeldoorn wil weten of jij in God gelooft.”
Van Rossem: „Nee.”
Stilte. Gegiechel in de zaal.
Freriks: „Heb je daar nog iets aan toe te voegen?”
Van Rossem: „Het bestaan van God, zoals dat gepostuleerd wordt in de meeste godsdiensten, is een zo onwaarschijnlijke hypothese, dat we ervan uit kunnen gaan dat ie er niet is.”

Klaar. Geen woord meer aan toe te voegen. Ware het niet dat ik onlangs een stuk onder ogen kreeg van reliblogger Alain Verheij, ‘theoloog des Twitterlands’. Verheij was gevallen over een videootje waarmee de omstreden Libanees-Belgische auteur Abou Jahjah aan was komen zetten in ‘Zomergasten’. De Amerikaanse conferencier George Carlin rekent erin af met religie.
Volgens Verheij schilderde de Amerikaan God af als een soort Sinterklaas en haalde hij die stroman vervolgens neer.

Nog geen reden om de pen over dit onderwerp opnieuw ter hand te nemen. Totdat, twee dagen later tijdens een etentje bij de thai, een oud-collega mij van dezelfde stropopredenering betichtte: jij maakt in je column van God een sinterklaasfiguur.

Over een denkbeeldige persoon, geboren en getogen in Veenendaal, had ik geschreven: ‘Dan vermoed ik dat op het nachtkastje van je ouders de Bijbel ligt. Welk boek denk je dat er op dat kastje zou liggen als je uit Mekka kwam? Dus zeg eens, als je god blijkbaar afhangt van de plek waar je wieg staat, wat zegt dat dan over zijn bestaan?’

Komisch. Bij kritiek op godsdienst zouden Carlin en ik ons bedienen van een stropopredenering: jullie maken er een sinterklaasgeloof van. Door ons die drogreden in de schoenen te schuiven, gebruiken onze critici zelf een stropopredenering. De cirkel is rond.

Godsdienst gaat veel dieper, luidt het verwijt, en dient ter verheffing van de mens. Ook is er zoiets als transcendentie. Het geeft geen pas dat af te doen als sinterklaasgeloof.

Los van de drogreden, gelovigen mogen zich kennelijk van sinterklaaselementen bedienen om kinderzieltjes rijp te maken voor hemelse gelukzaligheid, terwijl het critici niet betaamt de zotheid van die elementen aan te tonen?

Over verheffing en transcendentie straks, nu eerst over de fabeltjes.

Omdat de duivel vlak na de oorlog nog tussen twee geloven op één kussen sliep, probeerde mijn van huis uit Nederlands-hervormde moeder eerst mijn vaders katholieke geloof uit, maar ze kon niet wennen aan met zwabbers sprenkelende priesters. Dus groeide ik op in een protestants gezin. Kinderbijbel, zondagschool, kerk.

Die kinderbijbel las ik als een sprookjesboek. Meteen kwamen de vragen. Als alles begon met maar twee mensen, met wie moesten de kinderen van Adam en Eva dan trouwen? Pasten al die dieren echt op één ark? Hoe moesten de vrouw en kinderen van Job zich in de hemel voelen terwijl ze neerkeken op alle leed dat hem door God en Satan werd aangedaan?

Jezus liet zijn discipelen over water lopen, maar ze moesten wel naar hem blijven kijken. Petrus werd afgeleid door een storm en begon te zinken. „Naar mij kijken”, beval Jezus. Wat een kwal, dacht ik.

Bezetenen kregen hun verstand terug toen Jezus hun demonen naar varkens verdreef. Die beesten stortten zich prompt in een afgrond. Waar hebben die varkens dat aan verdiend? Niet eerlijk. Maar een klemmender vraag drong zich op: als God almachtig is, waarom heeft hij dan varkens nodig om met boze geesten af te rekenen? En waarom bestaan die demonen überhaupt?

Zo begonnen bijbelse teksten aan mijn geloof te knagen. Wonderen zijn tekens, dacht ik, en nogal wiedes dat je bij zo veel tekens bereid bent te geloven. Waar zijn die onmiskenbare tekens in onze tijd gebleven? Geef ons er ook eens een paar. En geen Uri Geller, alsjeblieft.

Dat was nog niet alles. We hadden een hond, Pluto. „Komt Pluto als ie dood is ook in de hemel?”, vroeg ik aan mijn vader. „Nee, dieren hebben geen ziel, alleen mensen komen in de hemel.”

In een flat in Smolensk lag bij de lift op de vijfde verdieping al dagenlang een drol.
„Waarom ruimt niemand die hondendrol op?”, vroeg ik aan mijn Russische vriendin.
„Waarom denk je dat dat een hondendrol is?”

Bij Pluto had ik rond mijn tiende al vastgesteld dat zijn drol, zijn twee oren, twee ogen, witte tanden en rood bloed toch een behoorlijke verwantschap met de mens verrieden. En dan had de mens wel een ziel, maar Pluto niet?

Godsdienst heet een verklaring te zijn voor verschijnselen die mensen niet begrijpen, maar bij mij werkte het averechts. Ik kreeg nul antwoorden en het aantal vragen nam toe.

Daarna kwamen de lastige vragen van anderen. Geloof jij dat Australië bestaat, terwijl je er nooit bent geweest? Kun jij bewijzen dat God niet bestaat? Omgekeerde wereld, anderen beweren iets, jij moet bewijzen dat het niet zo is. Alweer een drogreden. Tegenwoordig citeer ik dan de schrijver Christopher Hitchens: wat onbewezen wordt beweerd, mag onbewezen worden verworpen.

Er is zoiets als transcendentie. Gehoord verwijt: daartegen ga je toch geen sinterklaasargumenten in het geweer brengen?

Transcendentie – overstijging – is een veelomvattend begrip. Een transcendente God overstijgt de schepping, staat boven, zelfs buiten het universum. Maar iets simpel houden doen wij mensen niet graag, dus kan God ook immanent – erin verblijvend – zijn, dus juist wel deel uitmaken van ons universum. Volgens weer een andere leer kan God ook transcendent en immanent tegelijk zijn. Bent u daar nog?

Transcendentie kan ook op onszelf slaan: wij ondervinden op mystieke wijze het bovennatuurlijke. Dit is niet alleen het terrein van de godsdienst. Je kunt transcendentie ook bij anderen leren, bijvoorbeeld bij Maharishi Mahesh Yogi, die beroemd werd dankzij de Beatles en de laatste achttien jaar van zijn leven praktijk hield in het Limburgse Vlodrop. Met de kerk deelde Maharishi een talent voor het uitschrijven van rekeningen.

We zijn nu beland bij de belevingskant van religie, bij gevoel, overtuiging, inspiratie, het hogere. Daaraan wil ik geen afbreuk doen. Wie er voldoening of troost in vindt, ga vooral  je goddelijke gang.

Voor transcendentie geldt verder dezelfde logica als voor ‘sinterklaas’: verhevenheid is geen bewijs. Het bestaan van een god toon je er niet mee aan.

Geloof leidt tot verheffing van de mens? Mijn commentaar: kruistocht, inquisitie, fatwa, jihad. Ik stel tegenover die verheffing de religie als wapen. De machthebber en zijn kudde brengen het simpel: je doet mee met ons geloof of je bent een vijand. Opnieuw een drogreden.

Een vriend van mij kreeg in Noord-Ierland de vraag of hij katholiek of protestant was.
„Ik ben atheïst.”
„Maar ben je een katholieke of een protestantse atheïst?”

Arrogant aan Verheijs verheffingsargument is de impliciete exclusiviteit. Is goedheid vooral voorbehouden aan gelovigen?

Ik stel daar dit verhaal tegenover. Mijn echtgenote komt uit Moskou en het communisme heeft geen vat op haar gekregen: ze is gelovig en wel Russisch-orthodox. Ik ben atheïst. Dat leeft gewoon samen onder één dak zonder dat iemand hoeft te zwijgen. Onze kinderen hebben voor zichzelf bepaald wat ze willen en ze geloven niet.

Twee dochters zijn als baby in Moskou gedoopt, hun jongere broertje niet. Toen hij een jaar of vijftien was, wilde zijn moeder hem bij een Russisch-orthodox filiaal in Nijmegen laten dopen. Zijn reactie op de wens van zijn moeder: voor mij betekent het niks, voor jou alles, dus ik ga akkoord.

Zie je wel: niet gelovig en toch goedaardig.

________________________________

Reageren kan hier.

Kwakdenken 2.0

rob rondEr is iets mis met onze soort. Zodra wij ergens van overtuigd zijn geraakt, roesten we in die overtuiging vast. Aan feiten hebben we dan geen boodschap meer. Argumenten zijn kansloos.

„Hoezo? Ik sta altijd open voor redelijke argumenten.”

Wat zeg je me daar?

„Ik sta altijd open voor redelijke argumenten.”

Proef op de som. Is Lady Di verongelukt of is ze vermoord door de Britse geheime dienst?

„Vermoord.”

Volgende vraag. Geloof je in God?

„Ja natuurlijk.”

Eerst Lady Di. Alle feiten wijzen op een ongeluk. Waarom denk je dat ze vermoord is? Daarvoor bestaat nog geen begin van bewijs.

„Nee domoor, de overheid en de media willen dat wij in een ongeluk geloven. Moet je op Google eens deze twee woorden intikken: diana murder. Krijg je bijna veertien miljoen hits. Maar als dat voor jou niet genoeg is, slaap je toch lekker verder.”

Oké, nu God. Jij komt uit…?

„Ik ben geboren en getogen in Veenendaal.”

Dan vermoed ik dat op het nachtkastje van je ouders de Bijbel ligt. Welk boek denk je dat er op dat kastje zou liggen als je uit Mekka kwam? Dus zeg eens, als je god blijkbaar afhangt van de plek waar je wieg staat, wat zegt dat dan over zijn bestaan?

„Kun jij bewijzen dat Hij niet bestaat?”

Goed, ik heb een voorstel: als jij bewijst dat Wodan niet bestaat, gebruik ik dezelfde bewijsvoering voor alle andere goden.

„Je kunt me de pot op. Voor mijn geloof heb ik geen bewijzen nodig.”

Jij staat toch altijd open voor redelijke argumenten?

„Ga jij eerst maar eens iets lezen over dat onderwerp. Verdiep je erin, dan hou je tenminste op met van die domme vragen te stellen. Moet ik hier echt serieus op ingaan?”

Discussies tussen gelovigen en sceptici lopen steevast langs lijnen zoals hierboven geschetst. Niet alleen zitten beide partijen potdicht voor elkaars argumenten. Pogingen de ander te overtuigen werken zelfs averechts. Psychologische experimenten hebben aangetoond dat lezers met een overtuiging zich door een tekst gesterkt voelen, ook als de inhoud lijnrecht tegen hun overtuiging ingaat. Dan voelt de lezer zich bedreigd en zet hij zich schrap in zijn geloof. Discussiëren? Zinloos.

Dankzij het internet konden complottheorieën een hoge vlucht nemen. Achter aanslagen, moorden, vliegrampen, zedenmisdrijven, rampen, ongelukken, ziekten, medicijnprijzen, handelsakkoorden zit altijd een groep snoodaards. Niets is toevallig. Geheime types trekken aan de touwtjes.

Waardoor komt het dat waarheidszoekers bereid zijn zonder bewijs in allerlei zaken te geloven? Daar is menige studie naar verricht. Volgens de Amerikaanse filosoof Cassam is er iets mis met de manier van denken van deze mensen. Het gaat om een persoonlijkheidstrek, iets wat in hun aard zit.

Het heeft dan geen enkele zin om je af te vragen op grond van welke feiten en overwegingen de waarheidszoeker in een complot gelooft. Hij geloof erin omdat hij zo in elkaar zit. Hij kan niet anders. Zijn lichtgelovigheid is een defect. Hem daarop wijzen heeft geen zin, want blindheid voor zijn eigen defect maakt deel uit van het defect.

Kan het kwaad? Ja. Het geloof dat er geheime krachten aan het werk zijn, maakt dat een groot aantal mensen zich afkeert van politici, journalisten, wetenschappers en anderen die samen een elite vormen die zich voor het karretje van die geheime krachten laten spannen. Weg met de elite! Weg met de EU! Weg met de NAVO! Weg met de graaiers en bedriegers!

Aan beide kanten van de Atlantische Oceaan tref je politici die gretig inspelen op de ontevredenheid van de massa’s. Vaak zijn ze blond. Wat denk je, kan dat kwaad?

Wat eraan te doen? Uitroeien van het kwakdenken 2.0 is geen eenvoudige zaak. Discussiëren is zinloos, ik spreek uit ervaring. Maar we zouden kunnen beginnen kinderen op school beter te leren nadenken.

________________________________

Reageren kan hier.